De voormalige CEO van ASML, het bedrijf dat de machines maakt die de chips maken waarop de moderne wereld draait, had één kernboodschap: Europa heeft alles wat het nodig heeft om op het hoogste niveau te concurreren. Het talent. Het kapitaal. De technologie. De knowhow.
En het verspilt dat allemaal.
Hij noemde het een paar jaar geleden “dik, dom en tevreden.” Niet zelfgenoegzaam. Niet overdreven zelfverzekerd. Dik, dom en tevreden. Met die zachtere woorden komt u er te makkelijk vanaf. Ze vatten niet de pijn samen van weten dat er een probleem is, over alle middelen beschikken om het op te lossen, en ervoor kiezen dat niet te doen.
Die diagnose is niet veranderd. Wat wel is veranderd, is de prijs van het negeren ervan.
Een samenleving die zichzelf niet langer kan veroorloven
Voordat hij op de maakindustrie inging, maakte Wennink een punt waar veel gesprekken in de industrie niet eens bij stilstaan: een bedrijf kan niet floreren binnen een samenleving die uit elkaar valt.
Zijn versie van een verantwoordelijke samenleving rust op vier pijlers: banen die genoeg betalen om van te leven, onderwijs dat toegankelijk is voor elk kind, zorg voor wie die nodig heeft, en veiligheid, fysiek, digitaal en klimaatgerelateerd. Haal er één weg en de rest begint te wankelen.
Dit is geen idealisme. Het is economie. Medewerkers presteren beter wanneer ze zich geen zorgen maken over de vraag of hun kinderen naar school kunnen of hun ouders in een ziekenhuis terechtkunnen. Die stabiliteit is het fundament. De maakindustrie zweeft niet boven de samenleving. Ze maakt er deel van uit.
Het probleem is dat dat fundament scheuren vertoont. Het in stand houden ervan kost elk jaar meer. De productiviteitsgroei houdt geen gelijke tred. In Nederland wordt voor het komende decennium een bbp-groei van minder dan 1% per jaar verwacht. Wenninks getal: u hebt minstens 2% nodig om het soort samenleving te financieren dat zakendoen de moeite waard maakt. Europa zit op de helft daarvan. De rekensom is niet ingewikkeld, en ze is niet vergevingsgezind.
En terwijl Europa afdrijft, zijn de grootste economieën ter wereld in een race verwikkeld. Vier grote maatschappelijke transities hervormen elke grote economie tegelijk: digitalisering en AI, life sciences, energie en klimaat, en veiligheid en weerbaarheid. China's vijfjarenplan is eromheen opgebouwd. De investeringsagenda van de Verenigde Staten is eromheen opgebouwd. Wanneer Wennink terugkeert uit Beijing, Delhi of Washington, is het patroon steeds hetzelfde: sneller handelen, grotere inzet, duidelijkere intentie.
Europa zit intussen op capaciteiten van wereldklasse in elk van die domeinen en kijkt toe terwijl het venster zich sluit.
Vier zelfveroorzaakte redenen waarom Europa vastzit
Wennink spreekt niet in abstracties. Hij ziet vier specifieke factoren die het potentieel van Europa blokkeren. Elke factor is volledig oplosbaar. Geen enkele is opgelost.
Infrastructuur. Vandaag loopt 95% van Europa’s compute-activiteit via datacenters buiten Europa. Vijfennegentig procent. Als die toegang morgen zou worden afgesneden, werkt niets meer. Geen theoretische kwetsbaarheid. Een reële kwetsbaarheid, verborgen in het volle zicht, waarvan iedereen heeft afgesproken die te negeren. Los van digitale infrastructuur wachten alleen al in Nederland meer dan 14,000 bedrijven op een elektriciteitsaansluiting. Netcongestie is geen probleem van de toekomst. Het houdt investeringen vandaag tegen.
Talent. Drie mislukkingen in één. Europa levert niet genoeg STEM-afgestudeerden af. Het kampt met een omscholingscrisis nu AI volledige categorieën van professioneel werk elimineert, geen handmatige banen, maar economen, wiskundigen, analisten bij grote financiële instellingen. En het slaagt er niet in om het wereldwijde talent aan te trekken dat het hard nodig heeft, omdat het politieke debat over migratie talentmobiliteit tot nevenschade heeft gemaakt in een cultuuroorlog. De binnenlandse talentenpool is niet groot genoeg. Iedereen weet het. Er verandert niets.
Regelgeving. De staatssteunregels van de EU zijn ontworpen om te voorkomen dat overheden eindeloos noodlijdende industriële giganten overeind houden. Een redelijk doel. De regels worden nu toegepast op innovatieve startups die per definitie weinig cash hebben en per ontwerp nog in de kinderschoenen staan. Juristen classificeren ze als “ondernemingen in moeilijkheden” en blokkeren publieke steun. Een regel die was bedoeld om te voorkomen dat het verleden in stand wordt gehouden, voorkomt nu dat de toekomst wordt gebouwd. Dat is geen uitzonderlijk geval. Dat is een systeem dat precies werkt zoals het verkeerd is geconfigureerd.
Kapitaal. Alleen al in Nederland staat 2.5 biljoen euro aan pensioenspaargeld en bankdeposito’s. Het grootste deel staat geparkeerd buiten Europa, op jacht naar het marktgemiddelde, dat vooral uit Amerikaanse en Aziatische activa bestaat. Ondertussen moet een chipstartup die 300 miljoen euro nodig heeft om zijn eerste werkende prototype te tape-outen naar de Verenigde Staten om investeerders te vinden die het bedrijfsmodel begrijpen. Het geld van Europa financiert de toekomst van iedereen behalve die van Europa.
Het proof of concept: ASML liet Europa zien wat mogelijk is
Wennink kwam niet tot deze conclusies vanuit een denktank. Hij kwam ertoe vanaf de werkvloer van het bedrijf dat strategisch het belangrijkst is in de wereldwijde toeleveringsketen voor halfgeleiders.
ASML maakt de lithografiemachines die nodig zijn om elke geavanceerde chip op aarde te produceren. Er is geen alternatieve leverancier. Die positie is ASML niet zomaar toegevallen. Ze is in dertig jaar opgebouwd via een model dat Europa grotendeels is verleerd te repliceren.
Het model is wat Wennink de triple helix noemt: overheid, bedrijfsleven en kennisinstellingen die naadloos samenwerken. Niet in commissies. Niet in overlegstructuren. Samen, met gedeelde doelen, gedeeld risico en gedeelde opbrengsten. Brainport Eindhoven is de fysieke belichaming van dat model. ASML is het meest zichtbare resultaat ervan. Een systeemintegrator die steunt op 4.000 leveranciers en partners, de meeste daarvan Europees, vele opgebouwd in directe samenwerking met universiteiten, onderzoeksinstellingen en technische scholen.
Die samenwerking werkte omdat ze was gebouwd op vertrouwen en transparantie. Elke partner wist wat er op het spel stond. Elke partner had echt iets te verliezen. En elke partner had echt iets te winnen.
Toen de Nederlandse minister van Economische Zaken Wennink vroeg een rapport te schrijven over wat Europa zou moeten doen, zei Wennink ja. Niet omdat hij dacht dat hij alle antwoorden had, maar omdat hij wist hoe hij de mensen moest samenbrengen die die antwoorden wél hadden. Hij organiseerde eenendertig rondetafels, telkens met een mix van startups, scale-ups, multinationals, universiteiten en publieke instellingen, telkens gericht op een van de vier strategische domeinen. De opdracht was eenvoudig: geef me een moonshot die echt haalbaar is, een investeringscase, een tijdlijn, een verdeling van de financiering en de reden waarom het nog niet is gebeurd.
De laatste vraag was het meest onthullend. Elke groep had ideeën. De ideeën waren goed. De reden dat ze niet waren gerealiseerd, was altijd dezelfde: de randvoorwaarden waren niet vervuld.
“De bereidheid, de creativiteit, de slagkracht zijn er. Maar de randvoorwaarden zijn niet vervuld. En dat is een politieke keuze.”
Uit die eenendertig tafels kwam €126 miljard aan geïdentificeerd investeringspotentieel naar voren, verspreid over de vier domeinen. Klaar om in beweging te komen zodra de voorwaarden juist zijn.
Dat cijfer is geen projectie. Het is een pipeline. Opgebouwd door de mensen die ze daadwerkelijk zouden uitvoeren, als iemand eens uit de weg zou gaan.
De oplossing: creëer de voorwaarden en ga dan uit de weg
Hier verschuift Wenninks betoog van diagnose naar voorschrift. En het is concreter dan de meeste mensen van een keynote verwachten.
Het vertrekpunt is de triple helix, toegepast op schaal. Niet alleen in Eindhoven. Over het hele continent. De deltaregio die België, Nederland en Duitsland verbindt, is een economische grootmacht in wording. Belgische biotech is van wereldklasse. Nederlandse expertise in halfgeleiders behoort tot de beste ter wereld. Duitse engineering vormt het anker van de volledige toeleveringsketen. Deze competenties hoeven niet gecreëerd te worden. Ze moeten met elkaar verbonden worden.
Maar verbinding vereist voorwaarden. En Wennink is specifiek over hoe die voorwaarden eruitzien.
Wat infrastructuur betreft: Europa moet dringend zijn eigen compute-capaciteit opbouwen. Het moet netcongestie niet oplossen door de vraag te beheren, maar door het aanbod te versnellen. Fysieke en digitale infrastructuur moeten als strategische activa worden behandeld, niet als administratieve problemen.
Wat talent betreft: maak STEM-onderwijs gratis. Geef technische universiteiten voorrang bij studentenhuisvesting. Bouw een nationale agenda voor omscholing op voordat de eerste golf van door AI gedreven ontslagen de kwestie afdwingt. En scheid het gesprek over economische migratie van dat over talentmigratie. Dat is niet hetzelfde.
Wat regelgeving betreft: breng de regels voor staatssteun terug tot hun oorspronkelijke doel. Stop met het toepassen van logica voor bedrijfsoverleving op prille innovatie. Vereenvoudig vergunningsprocedures. De stikstofimpasse, Byzantijnse goedkeuringsprocessen en lagen van overdreven EU-regelgeving beschermen niemand. Ze laten Europa’s kansvenster verstrijken.
Wat kapitaal betreft: Wenninks voorstel, inmiddels opgenomen in het Nederlandse coalitieakkoord, is een nationale investeringsbank. Onafhankelijk, professioneel bestuurd, afgeschermd van politieke inmenging, maar gefinancierd door de staat. Met een werkkapitaal van €10 tot 20 miljard zou de bank in totaal tot €100 miljard aan investeringen kunnen mobiliseren door samen te financieren met pensioenfondsen en private equity. De logica is eenvoudig: institutionele beleggers nemen het first-loss-risico niet alleen. Als de overheid die eerste laag op zich neemt, volgt de rest. Daarnaast zou een tweede instelling komen, een National Agency for Breakthrough Innovation, met een budget van €2 miljard, die de innovatie-ecosystemen en strategische projecten financiert die de markt niet zelfstandig oppakt.
“Het grootste vraagstuk rond AI is niet compute power. Het is energie. En ik denk dat wij in Europa over de technische capaciteiten beschikken om AI-chips te ontwikkelen die met Nvidia kunnen concurreren — en die misschien zelfs honderd keer energie-efficiënter zijn.”
Die kans ligt voor het grijpen. Wat daarvoor nodig is, is kapitaal met genoeg geduld om de eerste chip te financieren, infrastructuur die die chip kan draaien, talent met voldoende vaardigheden om die chip te bouwen en regelgeving die slim genoeg is om die ontwikkeling niet te blokkeren.
Dit is een politieke keuze
De kloof in capaciteiten is geen marktfalen. Het talentprobleem is geen toeval. De reglementaire chaos is niet onvermijdelijk. Dit is het resultaat van politieke keuzes, die gedurende jaren zijn gemaakt door mensen die de afwegingen begrepen en iets anders prioriteit gaven. En als het politieke keuzes zijn, kunnen ze worden veranderd.
Wennink is duidelijk over wat die verandering vereist. Het economisch beleid moet een Europese prioriteit worden, waarbij de minister-president verantwoordelijk is voor het toekomstige verdienvermogen, en niet alleen de minister van Economische Zaken. De minister van Economische Zaken moet opnieuw de controle krijgen over het energie- en handelsbeleid. Een onafhankelijke Commissaris voor Toekomstige Welvaart moet boven departementale silo's staan, de nationale investeringsraad leiden en over het wettelijke mandaat en een specifiek fonds beschikken om impasses te doorbreken en de uitvoering te versnellen.
Het woord in het rapport voor wat er is misgelopen, is precies: procesfetisjisme. Process fetishism. Het overheidsapparaat is voor zichzelf beginnen draaien, en de mensen erin zijn gestopt met zich af te vragen of dit alles daadwerkelijk werkt. Vergunningsprocedures die jaren duren. Regels die niemand dienen. Verantwoordingsstructuren die voorzichtigheid belonen boven resultaten. Wat nodig is, is niet nóg een strategiedocument. Het rapport van Wennink wijst een duidelijke richting aan, en het Nederlandse coalitieakkoord neemt de kernvoorstellen ervan al over, waaronder de nationale investeringsbank. Wat nodig is, is de politieke moed om door te zetten. De bereidheid om te dereguleren, niet omdat het ideologisch goed uitkomt, maar omdat het alternatief achteruitgang is. De bereidheid om infrastructuur te financieren, niet als reactie op een crisis, maar in afwachting ervan.
“Niet handelen is ook een keuze. Elke dag dat we niet investeren in de toekomst van ons land, loopt de rekening voor toekomstige generaties op. We hoeven dit niet langer uit te zoeken. Laten we beginnen.”
Europa is nog niet verloren.
Wennink sloot zijn keynote af met een les uit zijn beginjaren bij ASML. Hij kwam binnen als accountant. Iemand vertelde hem dat onder druk alles vloeibaar wordt. Hij sprak de natuurkunde tegen. De ingenieurs corrigeerden hem: het gaat niet alleen om druk. Het gaat om de juiste druk.
Europa staat nu onder de juiste druk. Geopolitieke schokken. Kwetsbaarheid van de supply chain. Leiders elders die expliciet duidelijk maken dat niemand te hulp zal komen. Een wereld die Europese relevantie niet langer als vanzelfsprekend beschouwt.
Dat is geen bedreiging. Dat is de beste katalysator die Europa in decennia heeft gehad. En die verspillen zou de duurste fout zijn die dit continent ooit heeft gemaakt.
De kennis is hier. Het kapitaal is hier. Het talent is hier. De technologie is hier. En de domeinen waarin Europa kan winnen, zijn niet abstract. Ze zijn specifiek: digitalisering en AI, life sciences, energie en klimaat, veiligheid en veerkracht. Vier domeinen waarin de wereldwijde vraag explodeert, waarin Europa echte competenties heeft en waarin achterop raken niet alleen een economisch probleem is. Het is een geopolitiek probleem. ASML bewees dat Europese samenwerking, wanneer die serieus is, iets kan voortbrengen waar de hele wereld van afhankelijk is. Brainport bewees dat de triple helix geen theorie is. Het is een herhaalbaar model. Eenendertig rondetafels bewezen dat €126 miljard aan investeringen klaarstaat, niet in een toekomstige begroting, maar in de handen van mensen die bereid zijn dat vandaag in te zetten. Als iemand de voorwaarden op orde brengt.
Die iemand is de overheid. Niet de markt. Niet de industrie. De overheid. De mensen met het mandaat, de instrumenten en, eerlijk gezegd, de verantwoordelijkheid om te handelen. Stop met het verzwaren van regelgeving. Los de netproblematiek op. Financier de infrastructuur. Richt de nationale investeringsbank op. Maak STEM-onderwijs gratis. Bescherm kennismigratie. En stap dan opzij en laat de Europese industrie doen waartoe zij altijd in staat is geweest wanneer de voorwaarden juist zijn.
Europa hoeft niet elk domein te domineren. Het heeft geen strategische autonomie nodig, een uitdrukking die Wennink expliciet verwerpt. Het moet relevant zijn. Het heeft een stoel aan tafel nodig.
Die stoel is beschikbaar. De vraag is of Europese leiders de moed hebben om die in te nemen. Want het alternatief is geen beheerde neergang. Het is irrelevantie. En irrelevantie is, zodra die eenmaal inzet, heel moeilijk terug te draaien.
